BFOTO
BFOTO

Bekijk de Lokfiche  Bekijk de Technische fiche  Bekijk de Foto




Inleiding

Begin jaren vijftig werd de vervanging van de stoom- door dieseltractie begonnen met de zware treindiensten. In eerste instantie wilde de NMBS 95 zware diesellocomotieven bestellen. Deze bestelling werd verdeeld in 40 locomotieven typen 202 en 203 welke speciaal geschikt waren voor de hellingrijke Ardennenlijnen en 55 locomotieven type 201 voor de minder steile hoofdlijnen van België. De zesassige locomotieven van de typen 202 en 203 waren direct afgeleid van de uit Amerika voortgekomen 'Bolle neus-vorm', de locomotieven type 201 waren echter van een volledig Belgisch ontwerp. Uiteindelijk tekende Baume et Marpent voor het ontwerp van de loc. De inmiddels befaamde motor was een bestaand en bewezen ontwerp van Baldwin, type Hamilton, die in licentie door Cockerill werd gebouwd. De betrouwbare en krachtige scheepsdiesel in combinatie met de relatieve kleine lengte van de loc maakte de 201 tot een wolf in schaapskleren, en dat dan absoluut in positieve zin. Cockerill te Seraing assembleerde de 55 locomotieven en bouwde onder licentie dus de dieselmotoren. De bouw van de kale kasten werd uitbesteed aan Atelier Métallurgiques de Nivelles en Baume et Marpent te Morlanwelz. Beide firma's bouwde de locs vrijwel gelijktijdig en gedurende een groot deel van het leveringsproces werd om en om een loc aan Cockerill afgeleverd. Baume et Marpent bouwde de 201.001, 015, 017, 022, 025, 027, 029, 031, 033, 035, 037, 039, 041 en 043 tot en met 055, Métallurgiques de rest. De aflevering van de 201.019 werd enige maanden vertraagd doordat deze machine eerst nog tentoongesteld werd op de Cockerill-stand van een Luikse Expo. Op 22 december 1954 was de 201.001 als eerste loc afgeleverd door Cockerill. De eerste locomotieven werden verdeeld over de stelplaatsen Kinkempois en Haine St. Pierre, alwaar ze gelijk de stoomlocomotieven verdreven. De 201.028 werd als eerste toegewezen aan Hasselt, waarmee dit het derde depot werd dat de nieuwe locs ontving. Op 10 september 1955 werd de 201.055 als laatste afgeleverd.

Inzet

Vanuit hun drie eerste depots reden de 201's gelijk al door het grootste deel van België. Als vierde depot krijgt Merelbeke vanaf najaar 1955 vier 201's in onderhoud, al snel gevolgd door meer machines. Hiermee is de geografische verdeling van de loc bijna volledig geworden. Ook de kleine stelplaats van Aarschot pakt nog een stukje geschiedenis van de 201 mee. In 1962 en 1963 zijn hier twee locs in depot als ontlasting van het depot van Hasselt. Op 1 januari 1971 worden de 201's vernummerd in de reeks 59. De 201.004 en 201.034 zijn dan al afgevoerd, zodat de nummers 5904 en 5934 nooit opgevuld zouden worden.
Vanaf het einde van de jaren zeventig werden vele hoofdlijnen in België geëlektrificeerd. Uiteraard eiste dit zijn tol bij de lijndiesellocomotieven. In eerste instantie werden deze enerzijds meer verdreven naar de goederendienst en anderzijds naar de minder prestigieuze diensten over kortere afstanden. Op het moment dat La Louvière en omgeving geëlektrificeerd wordt, in september 1980, lopen de diensten van de 59'ers zware klappen op. Vooral de locomotieven van Haine St. Pierre worden hier het slachtoffer van, hoewel ze in ruime mate vanuit dit depot blijven rijden. Langzaam aan worden de 59'ers geconcentreerd in Merelbeke en Antwerpen Dam. Dit laatste depot kreeg in 1987 de laatste 59'ers van Merelbeke, welke werden vervangen door vrijgekomen 51'ers en 62'ers. Vanuit Antwerpen reed nog een grote groep 59'ers trouw de laatste kilometers in de goederendienst: niet altijd meer zo ver weg, hoewel ook nog altijd tot bij voorbeeld Aken werd gereden.

Livrei

De 55 locomotieven werden afgeleverd in een zeer sierlijke huisstijl van twee tinten groen, met gele sierlijnen en een grote, gele, drietandige ster op de fronten. Deze schildering werd al snel aangepast: de bovenste punt van de ster werd weg geschilderd. Toen in 1958 de wereldtentoonstelling Expo '58 in Brussel werd gehouden, werd besloten de daartoe toegewezen loc 201.001 (welke toevallig toen in revisie was) te voorzien van een nieuwe kleur. De loc werd donkergroen, met twee mintgroene banden die aan de voorzijden sierlijk in elkaar overliepen. Enkele 201's die op dat moment in de Centrale Werkplaats waren, kregen deze schildering ook. Deze hield het uit tot 1963-1966. Uit kostenoverwegingen was vanaf 1960 besloten geen gecompliceerde schilderingen met twee tinten groen meer toe te passen. In tegenstelling tot veel andere diesels, werd er bij de 201 in ieder geval nog iets van gemaakt: naast de enkele gele sierlijn op het midden van de kast werden de fronten opgesierd met een gele vink ('Hirondelle') en tevens werden er gele ringen om de frontseinen geschilderd. Bij enkele locs is deze schildering wat afwijkend toegepast. In 1970 werden proeven gedaan met een betere zichtbaarheidsschildering. Twee locomotieven type 201 kregen ook al snel de nieuwe groen-gele schildering, nog tijdens de proefperiode. De 201.020 (aflevering 15 april 1970) en 201.022 (september 1970) waren hiermee de enige 201's die met grote, zescijferige nummers gereden hebben. De 5948 was (ook al heel kort) ook bijzonder: deze loc kreeg de nieuwe zichtbaarheidsschildering aanvankelijk alleen op de fronten, op de zijkanten bleef de enkele sierlijn gehandhaafd. Hiermee was dit de vertegenwoordiger van de 'tussenschildering' bij reeks 59. Van de groen-gele huisstijl zijn vele varianten geweest met lagere of hogere gele lijnen en vooral afwijkingen in de schildering op de fronten. De 5905-5908, 5915, 5918, 5921, 5923, 5927-5930, 5932, 5935, 5940, 5943, 5944, 5946, 5951 en 5953 hebben de groen-gele schildering tot aan hun afvoer bij de NMBS behouden. In 1976 werd er, opnieuw uit veiligheidsoverwegingen, een nieuwe variant ontwikkeld en getest op de 5142. Deze geel-groen schildering (met dus veel meer geel) werd ook al snel op de 59'ers toegepast (als eerste op de 5925, slechts twee dagen nadat de 5929 als laatste in de groen-gele kleur was afgeleverd!), waarvan een groot aantal in de tweede helft van de jaren zeventig een revisie onderging. Bij de eerst geschilderde locs (5916, 5919, 5925, 5929, 5933, 5941, 5948 en 5954) was de onderste groene band wel heel erg breed. Uit esthetische overwegingen werden de later overgeschilderde locomotieven hierop aangepast: de band werd dunner. De eerste 'gehuisstijlde' 59'ers werden later hieraan aangepast, op de 5933 en -alweer- de 5948 na. Bij een afscheid van de serie in 1988 was werd loc 5919 nog even teruggebracht in de eerste huisstijlvorm.
Naast dit grote verschil in breedte van groene banden waren er bij deze schildering ook weer kleine afwijkingen, ook vooral weer op de fronten. De grootste apartelingen waren de 5926 en 5936, waarbij de brede groene band nóg smaller was, hetgeen een bijna gele loc opleverde. Bijzonder om te vermelden is nog dat op 18 december 1987 proeven werden gehouden met betrekking tot een nieuwe huisstijl. Drie sloop-59'ers werden voorzien van verschillende zichtbaarheidsschilderingen op één front.

Het aanbrengen van dubbele en derde frontseinen op de locomotieven van het type 201 loopt dwars door de geschiedenis van de locomotieven heen: sommige locs kregen al rond 1960 derde seinen, anderen hebben ze nooit gehad. Vanaf 1971 werden alle locomotieven bovendien voorzien van dubbele frontseinen in plaats van de originele kleurwisselaars.

Vroegtijdige afvoer

Een groot deel van de 55 locomotieven van reeks 59 zijn na ongevallen buiten dienst gesteld. Op 12 december 1960 botste de 201.004 bij Isières op een auto. De locomotief ontspoorde, sloeg over de kop en brandde volledig uit. Op 25 maart 1969 komen te La Louvière twee sneltreinen met elkaar in aanraking. Hierbij wordt de 201.034 geplet tussen de 201.012 van de ene trein en de M1-rijtuigen van zijn eigen trein. Alleen de 201.012 werd nog hersteld. Op 25 april 1981 botsen te Gouy-Lez-Piéton de 5908 en 5920 (beide groen-geel) frontaal op elkaar. Wederom wordt slechts één van hersteld. De 5908 werd in september 1981 afgevoerd. Om nooit echt opgehelderde redenen kwam op 24 september 1981 de 5942 als losse loc om een reizigerstrein naar Antwerpen te rijden met bijna twee-en-een-half keer de maximum snelheid van 40 km/u het station van Mol binnengereden. De loc ontspoorde, tolde om zijn lengte-as, botste tegen wat M2's en vloog in brand. Op ongeveer dezelfde plaats als ook de 6226 zou verongelukken, botste op 12 januari 1982 de 5915 op de 6201. Laatstgenoemde raakte niet zwaar beschadigd, maar de 5915 kantelde en raakte hierbij dermate beschadigd dat herstel niet meer loonde. Op 31 december 1982 raakt de 5955 bij een aanrijding in de Antwerpse havens zwaar beschadigd. In Edingen brand op 6 september 1984 de 5932 uit. Op 22 november 1984 worden de 5920 en 5948 met een goederentrein het slachtoffer van een botsing met een andere goederentreinen (met de 5161) bij de splitsing van Otterbeek (nabij Sint Katelijne-Waver). Zij worden reeds begin februari 1985 afgevoerd, waarna sloop volgde.
Een 'fraai' ongeval zonder definitieve materiële gevolgen was het op 29 december 1973 door een juk rijden van de 5924 met trein te Antwerpen Schijnpoort. De loc en enkele wagens stuiterden de straat op en kantelde. De geruchten gaan dat dit spectaculaire ongeval de aanleiding was voor Roco om locnummer 5924 te kiezen bij hun model van de reeks, aangezien de toenmalige importeur van Roco op enkele meters afstand van het gebeuren woonde.

Buitendienststelling

De meeste overige 59'ers hielden het tot het eind uit. Halverwege de jaren tachtig begon wel de planmatige afvoer vanuit de depots Haine St. Pierre en Merelbeke, maar met de overplaatsing van de resterende 59'ers van Merelbeke naar Antwerpen Dam in 1986 en 1987, waren nog 31 locomotieven over. In 1988 en 1989 reden deze machines, in rap tempo minder in aantal, vanuit het Antwerpse nog uitgebreid in dienst. In het najaar van 1988 gingen de laatste locs buiten dienst. In maart en april 1990 werden de 20 nog in Antwerpen staande en voor sloop bestemde 59'er in twee treinen naar Salzinnes gesleept, om daar geplukt te worden ten behoeve van motoronderdelen voor reeks 51. Mede door de latere ontwikkelingen, zijn de meeste van deze locs nog tijden in Ronet blijven staan, in groepjes werden ze echter in het begin van het nieuwe millenium gesloopt.

Tweede leven

Nog tijdens het afvoeren van de laatste 59'ers ontstonden er geruchten over het verhuren van een aantal 59'ers ten behoeve van de aanleg van de hogesnelheidslijnen in Frankrijk. Uiteindelijk werd besloten 11 locomotieven te huren voor de aanleg van de lijn tussen Parijs en Calais via Lille, waarvan één als reserveloc. Het betrof de 5905, 5910, 5916, 5917, 5926, 5936, 5939, 5941, 5946, 5947 en 5950. De 5910 bleef op reserve in België. In maart 1993 keerden de 59'ers terug in België. Op dat moment bestond er een grotere vraag naar diesels omdat -onder andere- ook in België begonnen werd met de HSL. Hierdoor besloot de NMBS te profiteren van het feit dat zij nu tien locs hadden die ondanks hun ouderdom en geringe opknapbeurt redelijk betrouwbaar waren. Bij terugkomst in Merelbeke, het depot dat de locs tijdens hun periode in Frankrijk op papier ook al in depot had, werden de tien opnieuw in dienst gesteld. Toetertijd was het een unicum bij de NMBS om reeds afgevoerde locomotieven opnieuw in dienst te stellen. In afwachting van het begin van de werkzaamheden, werden de locomotieven vanuit Merelbeke in de goederendienst ingezet. Ook na de inzet op de HSL naar Frankrijk en vóór die naar Duitsland, werden de 59'ers in de normale dienst gebruikt, toen door de stelplaats van Monceau. In 1998 en 1999 werden de tien dan eindelijk overgeplaatst naar Kinkempois voor de HSL-lijn Brussel-Aken. Het definitieve einde werd ingeluid door een tragische klap op 11 januari 2001. De 5950+5947 botsten op de HSL-lijn bij Remicourt op twee 76'ers (ex NS 2200'en). Mede door de slechte staat van het casco werden de beide 59'ers compleet vernield, en in maart ter plaatse gesloopt. De volgende locs werden geleidelijk buiten dienst gesteld bij zwaardere defecten, een periode die door een tekort aan werflocomotieven alsnog veel langer duurde dan gepland. Na de beide vernielde locs werd de groene 5905 als eerste buiten dienst gesteld op 1 juni 2001, de 5936 werd de volgende na een botsing tussen zijn meettrein en loc 2741 van een IC te Schaarbeek op 12 juni 2001. Tegelijkertijd ging ook de 5939 buiten dienst. In de laatste dagen van 2001 volgde ook nog de 5926. De vier resterende locs hielden het met behulp van onderdelen van de vier buiten dienst staande exemplaren langer uit, ook langer dan de officiële afvoerdatum van 1 juni 2002 van de laatste 59'ers. Achtereenvolgingens gingen zij buiten dienst op 4 juli (5941), 11 november (5917) en tenslotte de 5916 en 5946 op 15 november 2002.

Naast de TUC-Rail 59'ers zijn er nog enkele 59'ers bewaard gebleven. Eén machine werd naar het buitenland verkocht. In augustus 1986 werd de 5933 verkocht aan de bekende Italiaanse handelaar Gleismac. Gleismac verkocht de loc door aan railbouwer Pasolini en heeft tot zijn sloop in 2004 heel Italië rondgereden.

Enkele locomotieven werden museumloc. De NMBS heeft de 201.010 in originele schildering als museumloc, welke rijvaardig wordt gehouden door het personeel van Antwerpen Noord. Tevens bewaarde de NMBS de groen herschilderde (maar in slechte staat verkerende) 5917, welke nu onderdak heeft in Brugge. De Vennbahn kocht na oprichting de 5922 (in het geel) en 201.030 (in expo-schildering), na het faillissement van deze vereniging werden de locomotieven opgekocht door een van de oprichters van Trainsport. Deze wilden met beide locomotieven commerciële ritten uitvoeren op het Belgische net. Beide 59'ers werden overgebracht naar de Ruhrtalbahn-werkplaats in Düren, waar ze meteen op een zijspoor werden geparkeerd omdat al snel duidelijk werd dat Infrabel deze locomotieven nooit zou toelaten op haar net. De 5930 werd uiteindelijk in 2014 gesloopt terwijl de 5922 in 2015 werd verkocht aan een privé persoon en terug naar België werd getransporteerd.
Het TSP heeft de 5927 (oorspronkelijk verkocht aan een particulier te Baasrode) en 5941 (is inmiddels groen-1970, met enkele koplampen, herschilderd). De 5941 wordt ingeschreven bij de NMBS (mag dus hoofdlijnritten rijden), de 5927 zal dat niet worden en mag hoogstens rijden op de eigen Bocq-spoorlijn van het TSP. De 5926 is als plukloc door het TSP aangeschaft en in 2015 gesloopt. Naast deze locs stonden in Ronet nog lange tijd drie pluklocs (5928, 5940 en 5944) op sloop te wachten, hetgeen ook gold voor de resterende TUC-locs en de 5945, welke lange tijd als verwarmingsloc te Liers heeft gedient en lange tijd te Kinkempois stond. Voor de laatste rijvaardige 5916 en 5946 zou er aanvankelijk ook nog een rijvaardige toekomst weggelegd zijn. Echter, in juli 2004, werden de resterende TUC-59'ers incluis de 5945 naar de sloop getransporteerd.

Bewaarde exemplaren

 
Nr Eigenaar Standplaats Opmerkingen
 
201.010 NMBS Antwerpen
5917 NMBS La Louvière wisselstukken
5922 Privé Schaarbeek
5927 TSP Schaarbeek Niet rijvaardig
5939 TSP Saint-Ghislain wisselstukken
5941 TSP Saint-Ghislain


Het is verboden om de volledige tekst van deze pagina te publiceren zonder toestemming van de rechthebbende