BFOTO
BFOTO

Bekijk de Lokfiche  Bekijk de Technische fiche  Bekijk de Foto




Inleiding

Na WOII werd het in de jaren dertig geïntitialiseerde vernieuwingsprogramma in volle vaart opgenomen. Dit programma hield onder meer een snelle elektrificatie vanuit Brussel richting de andere grotere steden van België in. In de eerste vijftien jaar werd zo geleidelijk maar gestaag een steeds groter netwerk onder de draad gebracht. Vanwege dit patroon is zowel bij de elektrische motorstellen als bij de elektrische locomotieven een duidelijk patroon te zien van ontwikkeling: gelijksoortig materieel dat steeds verder ontwikkeld werd. Hierdoor ontstonden uiteindelijk de reeksen 22, 23, 25 en 26, allen vanuit hetzelfde ontwerp.

De eerste reeks was op technisch gebied een rechtstreekse afstammeling van de eerste twee series locomotieven, de typen 120 en 121. In één lot werden 50 locomotieven, wel met een nieuw ontwerp, besteld bij Ateliers Métallurgiques de Nivelles (later gefuseerd tot La Brugeoise et Nivelles, BN) , ACEC-SEM tekende zoals gebruikelijk voor de elektrische installatie. De locs kwamen in 1954 in dienst als type 122 in de toen gebruikelijke tweetonig-groene kleurstelling. Opvallend ten opzichte van de 120 en 121 waren onder meer de ronde "patrijspoorten", de roosters in het dak en natuurlijk de nieuwe kopvorm, welke sterke gelijkenis vertoonde met de ook nieuwe diesellocs type 201 (reeks 59).

Het duurde maar kort voordat de eerste locs vernummerd zouden worden. Met de elektrificatie van de lijn Antwerpen-Roosendaal in 1957 namelijk, ontstond er de behoefte aan elektrische locomotieven voor de diensten naar Nederland. In die tijd ging men er nog vanuit dat aanpassingen aan de elektrische installatie nodig waren om het stukje 1500 volt tussen de sluis ten zuiden van Roosendaal en het station aldaar te overbruggen. Hiertoe werden de 122.041-122.050 technisch aangepast en voorzien van derde frontsein (een aanpassing die in heel west-Europa blijkbaar alleen op grensbaanvakken nodig lijkt te zijn en zodoende op niets meer lijkt dan ordinaire pesterijen van de spoorwegmaatschappijen). Ze werden vernummerd in 122.201-122.210. Na enkele maanden werd dat effectief uitgebreid tot twaalf toen de 122.040 en 122.039 respectievelijk tot 122.211 en 122.212 verbouwd werden. Tot overmaat van "ramp" besloot de NMBS op de Expo 1958, weer korte tijd later, de nieuwe eloc voor te stellen, maar omdat men wél de nieuwste loc wilde, maar geen 122.2 kon missen werd de 122.038 vernummerd in 122.210II en kwam de 122.210I (ex 122.050) als 122.038II op de Expo te staan. Vanaf 1971 wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen de aangepaste 22's en elke andere loc, aangezien zij zonder problemen op halve kracht Roosendaal binnen kunnen rijden.

De 122.003 ging in 1958 op proef naar Polen (de PKK heeft dezelfde bovenleidingsspanning). Deze ritten liepen allerminst volgens plan: de loc werd zwaar beschadigd bij een aanrijding met een binnenlandse trein, waarbij één dode viel. Het personeel werd dagenlang vastgehouden, de proefritten werden gestaakt en de loc kwam pas maanden later terug naar België voor herstel.

Op 1 januari 1971 werden de locs vernummerd in de reeks 22 (2201-2250), waarbij de oporspronkelijke nummering werd aangehouden voor de 122.211 en 212, zij werden dus keurig vernummerd in 2240 en 2239. De vernummering van de 122.038/050 werd nooit ongedaan gemaakt, zodat de huidige 2238 de oorspronkelijke "2250" is en vice versa.

Livrei

Als gezegd werden de locs afgeleverd in het tweetonig groen, verder versierlijkt met sierstrips. Tevens viel de antidampinstallatie op: cirkels achter de cabineruiten om de zichtbaarheid te waarborgen (bij latere series werden dit horizontale strips, later verviel het geheel). Net als bij de andere series werd de schildering reeds begin jaren zestig vervangen door donkergroen. Rond 1970 werden verder de enkele frontseinen vervangen door dubbele. Medio jaren zeventig werd er bij al het NMBS-materieel getest op een betere zichtbaarheid. Bij diesellocs werd een geel met groene schildering bedacht op de 5142. Tegelijk werd 2376 in februari 1976 uitgevoerd in het geel met groene strepen, later aangevuld met de 2355 en 2380. Deze combinatie beviel niet echt, en bovendien werd op de laatste dag van dat jaar de gloednieuwe 2024 afgeleverd in een frisse nieuwe schildering met geel en lichtblauw, de nieuwe kleur om materieel aan te duiden dat elektrisch kan voeden (in tegenstelling tot de stoomverwarmende diesels). De 2604 was de eerste klassieke eloc die de kleurstelling ook kreeg, hierna werd beslist alle elektrische locs over te schilderen (uitgezonderd de oudste series). Na enkele jaren bleek de opzich fraaie schildering echter aan behoorlijk wat smet onderhevig en in 1980 werd de eerste loc afgeleverd in de nieuwe hoofdkleur blauw met gele biezen, de schildering die nu ook nog gangbaar is. Uiteindelijk waren er dertien 22'ers in het geel geschilderd: 2201, 2202, 2206, 2207, 2209-2211, 2217-2220, 2222 en 2227. Bij de eerstvolgende revisie tussen 1992 en 1998 werden alle locs in het blauw herschilderd uitgezonderd de 2227, die in 1982 al herschilderd werd en de vroegtijdig afgevoerde 2219. De laatste donkergroene loc van de reeks verdween in 1991.

In december 2002 werd de 2221 (laatste gereviseerde 22 op 16 mei 2002) voor een half jaar beplakt met reclame voor L'en Train de Noël in Charleroi. Drie jaar eerder was de 2230 al voor korte tijd bestickerd voor een Kerstactie.

Depots

De eerste stelplaatsen van het type 122 waren Brussel Zuid en Oostende, al snel ook Kinkempois. In 1967 verloor Oostende zijn locs, in 1970 kreeg Ronet de locs van Kinkempois. Begin 1974 werden alle vijftig machines geconcentreerd in Brussel-Zuid. Met de komst van de nieuwe locs reeks 21 en 27 verschoof de verdeling opnieuw: in 1981 ging de helft naar Merelbeke, vier jaar later ging de andere helft naar St. Ghislain, in 1991 gevolgd door de rest uit Merelbeke. Na sluiting van Saint Ghislain begin 2000 verhuisden alle locs naar Charleroi Sud.

Ombouw

Om de koeling van de elektrische installatie te verbeteren, werd bij een aantal locs reeks 22 en 23 een proef uitgevoerd met verschillende geplaatste en/of gewijzigde luchtroosters. Bij reeks 22 was het de 2202, welke aan de zijde van het Jeumont-Heydmanblok een extra rooster kreeg . Reeks 22 is nooit uitgerust met mogelijkheden om in multiple schakeling met een tweede loc te rijden. De 2249 en 2250 werden in mei 1999 aangepast voor de opdrukdiensten tussen Liège Guillemins en Ans (en vervingen zo de beroemde 2383) en werden zo geplaatst te Kinkempois. Na buiten dienststelling van de 2250 werd deze vervangen door de 2247 en 2248. Opvallend genoeg was de loc die vóór de 2383 als eerste enige aanpassingen kreeg voor de opdrukdienst de 122.008, maar dat is nog maar weinig bekend. Eén van de wat kleinere aanpassingen aan enkele locs was het aanpassen van de bufferbalk voor eventuele plaatsing van een automatische koppeling (wat nooit gebeurd is), bij reeks 22 waren dat de 2228-2230, 2232, 2235-2237, 2244, 2248 en 2250.

Buitendienststelling

Op 6 mei 1988 botste de 2219 te Quévy op een passagierstrein. De loc werd zeer ernstig beschadigd, maar aanvankelijk in Mechelen (opvallend gezien het feit dat de CW Mechelen op dat moment al geen elektrische locomotieven meer behandelde!) in herstelling genomen. De NMBS bedacht zich en schrapte de machine alsnog op 1 mei 1993, waarna sloop volgde.
Met de komst van veel nieuwe elektrische locomotieven en treinstellen op het einde van de jaren negentig besloot de NMBS langzaam aan de eerste locs van de generatie 22-26 af te gaan voeren. Aanvankelijk wilde men eerst van de kleine serie 25 af, maar uiteindelijk besloot men toch "normaal" te beginnen met de oudste serie. Op 28 juni 2002 (naar goed Belgisch gebruik direct na de revisie van de laatste 22) werden elf locomotieven buiten dienst gesteld. Op 15 december dat jaar volgde een tweede lot van negen stuks en op 14 december 2003 werd het bestand verder gereduceerd met nog eens negen locs. Op 10 december 2006 volgde nog eens 5 stuks en werden 3 exemplaren ( waarvan 1 opdrukloc) in park geplaatst. De resterende locomotieven vulden hun dagen met het rijden van P-treinen vanuit Brussel en het verzekeren van extra goederentreinen.
Door de economische crisis in 2009 en de bijhorende instorting van het goederenvervoer werd de NMBS geconfronteerd met een locoverschot. Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt om reeks 22 buiten dienst te stellen ten voordele van de "werkloze" reeks 23.

Bewaarde exemplaren

 
Nr Eigenaar Standplaats Opmerkingen
 
2201 TSP Saint-Ghislain


Het is verboden om de volledige tekst van deze pagina te publiceren zonder toestemming van de rechthebbende